Google+ Autisme, wat nu..?: Andere stoornissen
Posts tonen met het label Andere stoornissen. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Andere stoornissen. Alle posts tonen

donderdag 26 maart 2015

Jongeren met autisme gemiddeld vijf keer grotere kans op psychose.

door: Laura Groen.

Jongeren met een stoornis binnen het autistische spectrum hebben gemiddeld vijf keer zo hoog risico op een psychotische of bipolaire stoornis dan leeftijdsgenoten.

Opmerkelijk is dat het risico bij jongeren met autisme die goed presteren op school wel 18 keer zo hoog blijkt te zijn. Dit blijkt uit onderzoek gedaan vanuit de Universiteit Maastricht. Het is de eerste keer dat deze relatie is onderzocht in een groot onderzoek, aldus Maastricht University.

Het onderzoek werd samen met Zweedse en Britse collega’s gedaan. Met behulp van een uitgebreide dataset komen er meer dan 9000 personen die voor hun zestiende jaar de diagnose autisme hebben gekregen maximaal tien jaar volgen. Het risico op een psychotische of bipolaire stoornis bleek voor deze groep gemiddeld zo’n vijf keer groter te zijn als bij leeftijdsgenoten zonder autisme. Opmerkelijk was het dus dat de mensen met autisme die goed presteren op school wel een 18 keer zo groot risico liepen. Mensen met een psychose nemen verschillende symptomen waar, zoals wanen en hallucinaties. Mensen met een bipolaire stoornis maken manische of hypomane perioden door afgewisseld met depressieve en klachtenvrije perioden.

Het is voor nu nog onduidelijk waarom het psychoserisico in deze groep zo sterk verhoogd is. Er zijn aanwijzingen voor een genetische relatie tussen de aandoeningen. Ook zou de stress van de autistische aandoening eraan kunnen bijdragen. Dit biedt dan ook aanknopingspunten voor de preventie, zoals therapie of begeleiding. Het belangrijkste is dat de behandelaars zich bewust worden van dit verhoogde risico, vooral bij de groep autisten met goede schoolprestaties.





zondag 11 januari 2015

Verband tussen fragiele-X-syndroom en autisme

Het fragiele-X-syndroom (FXS), de meest voorkomende erfelijke vorm van verstandelijke beperking, wordt veroorzaakt door een gebrek aan het eiwit FMRP (Fragile X Mental Retardation Protein) of fouten in de productie van dit eiwit.

Claudia Bagni en haar collega’s verbonden aan VIB, KU Leuven en Tor Vergata University (Italië) hebben nu aangetoond dat FMRP een belangrijke rol speelt in de embryonale ontwikkeling van de hersenschors. Met behulp van een muizenmodel voor FXS konden de onderzoekers aantonen dat FMRP tijdens de embryonale ontwikkeling de positionering van hersencellen in de cortex (of hersenschors) reguleert. Dit is de eerste keer dat de exacte rol van FMRP in de ontwikkeling van hersencellen aangetoond wordt. Deze vertraging in de hersenontwikkeling heeft een effect op het leven net na de geboorte en op de ‘fine-tuning’ van de hersenen, meer bepaald in de juiste positionering van hersencellen ten opzichte van elkaar. De hersenschors of cortex is het gebied in de hersenen waar informatie uit de rest van het lichaam ontvangen, geanalyseerd en geïnterpreteerd wordt. Deze geïnterpreteerde informatie wordt dan omgezet in gedachten en concrete aansturingen van het lichaam. Fouten in de ontwikkeling van de cortex leiden dus ook tot een slechte analyse, interpretatie en verwerking van informatie van buitenaf. Dit soort slechte communicatie tussen hersencellen is typisch voor autismestoornissen, dus deze studie zou een verklaring kunnen bieden waarom FXS vaak samengaat met autisme-gerelateerde symptomen.

De onderzoekers konden ook aantonen dat in gezonde omstandigheden FMRP de aanmaak van N-Cadherine stimuleert. Bij gebrek aan FMRP komt ook de aanmaak van N-Cadherine in het gedrang met als rechtstreeks gevolg dat tijdens hun ontwikkeling de hersencellen in de cortex vertraagd in de juiste positie gebracht worden. Herintroductie van FMRP of N-Cadherine voor de geboorte normaliseerde de vorming en positionering van hersencellen zeer vroeg na de geboorte. Dit wijst duidelijk op een belangrijke rol voor FMRP én N-Cadherine.

De volgende uitdaging is te begrijpen hoe men deze gebreken kan verbeteren in zeer vroege stadia net na de geboorte en hoe men gesofisticeerde MRI strategieën kan ontwikkelen met een voorspellingswaarde voor FXS, waardoor men ouders beter kan informeren.

Meer info
www.vib.be
patienteninfo@vib.be



woensdag 3 december 2014

Afscheid van autisme en adhd

hoe verschillen tussen mensen psychiatrische ziekten zijn geworden en de weg terug

In toenemende mate raken ouders, leerkrachten en hulpverleners verontrust over het gemak waarmee steeds vaker kinderen een diagnose als autisme, Asperger of ADHD toegekend krijgen. Die verontrusting is volkomen terecht.

Het maakt van deze kinderen feitelijk psychiatrische patiënten! En bovendien berust zo'n diagnose vrijwel altijd op drijfzand.

Het is geen psychiatrische ziekte, maar een bijzondere variant van prikkelverwerking die ten grondslag ligt aan de problemen in de opvoeding van en het onderwijs aan deze kinderen. Met deze benadering en de praktische uitwerking daarvan is ook voor deze kinderen een omgeving te creëren van waaruit ze zich zonder stigma, met minder gedragsproblemen en vaak zonder medicatie kunnen ontwikkelen.

Het is tijd om afscheid te nemen van autisme en ADHD als ziektebeelden. Deze koersverandering vereist een zorgvuldige uitleg, argumentatie en wetenschappelijke onderbouwing. En daar voorziet dit boek in.

Pieter Duker is psycholoog, emeritus bijzonder hoogleraar orthopedagogiek en al meer dan 40 jaar werkzaam in de sector van in de ontwikkeling bedreigde kinderen.

Recensies:
Prof. dr. Ernest van Lieshout, emeritus hoogleraar orthopedagogiek met betrekking tot onderwijsleerproblemen, Vrije Universiteit Amsterdam:
'Het boek 'Afscheid van Autisme en ADHD' is boeiend en prikkelend en zal voor velen een absolute eyeopener zijn.'

Dr. Daniël Seys, hoofd behandeling Seyscentra:
'Op overtuigende wijze, want door een groot aantal wetenschappelijke onderzoeken ondersteund, laat Pieter Duker zien dat de diagnoses autisme en ADHD
dwalingen zijn, veroorzaakt door denk- en beslissingsfoutenvan beoordelaars. Maar hij laat degenen die dit aangaat niet alleen met deze verbijsterende conclusie. Met de optimale-stimulatie theorie biedt hij - weer wetenschappelijk onderbouwd - een praktisch alternatief dat recht doet aan individuele verschillen tussen mensen in de prikkelverwerking.'



vrijdag 7 november 2014

Te veel prikkels: Bek- en bekaf

Meer dan 10 procent van de Nederlandse kinderen is langer dan twee maanden uitgeput. Deskundigen zien een verband met de overvloed aan prikkels om hen heen, zo bleek op het onlangs gehouden congres ‘Kind onder druk’. Maar we leven nu eenmaal in een wereld vol tv, computers en mobiele telefoons. Dus hoe kun je ze daartegen beschermen? En welke kinderen zijn extra gevoelig voor al deze prikkels?

Hoogleraar kindergeneeskunde Wietse Kuis ziet ze wekelijks op zijn spreekuur in het Wilhelmina Kinderziekenhuis in Utrecht. Gezonde kinderen die zo moe zijn dat ze niet meer naar school kunnen en onverklaarbare pijnen hebben. De pijnen zijn soms zo erg dat ouders en artsen kanker of kinderreuma vermoeden. Maar de kinderen die bij Kuis komen, zijn allemaal uitgebreid onderzocht en hebben geen van deze ziektes en ook geen pfeiffer. Ze zijn om andere redenen uitgeput.

Kuis: ‘De grootste groep van mijn vermoeide patiënten heeft een enorm druk leven. Veel kinderen vinden het moeilijk om keuzes te maken en doen daarom maar alles naast elkaar. Het onderzoek naar het eventuele verband tussen deze drukke leefstijl en vermoeidheid loopt nog, maar als ik alleen naar mijn praktijkervaringen kijk, zie ik in die leefstijl wel degelijk een oorzaak van langdurige vermoeidheid bij kinderen. Natuurlijk zijn er kinderen die een druk leven prima aankunnen, maar er is zeker ook een groep die dat niet kan. En juist in een wereld die steeds drukker wordt en qua informatieverwerking meer van ons vraagt, dreigt een steeds grotere groep kinderen de boot te missen.’

Kuis doet al jaren onderzoek naar het Chronisch Vermoeidheids Syndroom bij kinderen. Om de klachten van chronisch vermoeide patiëntjes te onderzoeken, vergeleek hij ze met een gezonde controlegroep van driehonderdvijftig kinderen. Toen bleek dat 10 procent van de gezonde kinderen tussen 12 en 16 jaar langer dan twee maanden ernstig vermoeid is. Dit gold ook voor 5 procent van de kinderen onder de 12. De kinderen waren niet lichamelijk ziek, maar lagen soms maanden op de bank omdat ze zo moe waren.

Drukke wereld
Deskundigen zien verschillende oorzaken voor het feit dat steeds meer kinderen moe en overprikkeld raken. Eén factor is de buitenwereld, die steeds drukker is geworden en steeds meer informatie op ons afvuurt. Kinderen staan aan veel meer invloeden bloot dan tien jaar geleden, terwijl hersenen er eeuwen over doen om zich aan te passen. Niet alle hersenen kunnen die veelheid aan prikkels dus aan. En niet alleen de kwantiteit van de informatie is veranderd en groter geworden, ook de kwaliteit is veranderd. Vroeger moest je over een behoorlijke woordenschat beschikken om informatie te krijgen over volwassen onderwerpen. Met de komst van internet heeft ieder kind dat met een muis kan klikken toegang tot informatie die het vaak nog niet kan plaatsen. Natuurlijk geldt dit ook voor volwassenen, maar die zijn meestal beter opgewassen tegen de informatiestroom van de moderne maatschappij.

Vooral sociaal vaardige, geïnteresseerde en slimme kinderen kunnen last hebben van alle prikkels die ze moeten verwerken, zo blijkt. Zij kunnen zich moeilijk afsluiten en zuigen het liefst de hele wereld in zich op. Ze vinden het vaak fijn om andere mensen van dienst te zijn en kunnen moeilijk nee zeggen. Ook tegen de leuke dingen in het leven zeggen ze meestal geen nee. Vaak zijn het kinderen die, net als in de Sire-campagne, op twee sporten zitten, muziek maken, aan schooltoneel doen en een druk sociaal leven hebben. Ze dóen het niet alleen, ze willen er ook nog goed in zijn. Waarschijnlijk omdat ze zo duidelijk aanvoelen wat er van ze verwacht wordt en ook omdat ze voor zichzelf de lat hoog leggen. Het zijn vaak kinderen die op school alleen maar tevreden zijn met een 9 of een 10 en willen dat iedereen ze lief en aardig vindt.

Dat gaat vaak jaren goed, tot ze bijvoorbeeld griep krijgen en thuis moeten blijven. De griep gaat over maar ze blijven moe en hebben vaak hoofdpijn en buikpijn. De vermoeidheid is zo ernstig, dat ze al hun hobby’s en ook hun school tijdelijk op moeten geven. Als ze, vaak via een huisarts en een kinderarts bij een specialist komen, duurt het meestal even voordat ze zelf zien dat de vermoeidheid onder meer met hun manier van leven te maken heeft.

Hoogleraar kindergeneeskunde Kuis: ‘Een meisje dat in de brugkas van het vwo zit, maar dat eigenlijk niet aankan, wil niet van mij horen dat ze boven haar niveau werkt. Dat geldt meestal ook voor de ouders. De wensen van ouders kunnen erg drukken op de kinderen. Zo’n meisje hangt vaak veel van haar eigenwaarde op aan het feit dat ze op het vwo zit. Dan is het een hard gelag als ik zeg dat ze misschien naar de havo moet gaan. Aan de andere kant kan het ook fijn zijn voor kinderen als de dokter tegen ze zegt dat ze de dingen anders aan moeten pakken. Zo kwam er bijvoorbeeld eens een jongetje bij mij dat op heel hoog niveau voetbalde. Hij was al tijden ontzettend moe, onder anderen omdat het voetbalniveau gewoon te hoog was voor hem. Op zijn club heeft hij toen gezegd dat hij moest stoppen van de dokter. Dat was een stuk makkelijker dan zelf toegeven dat hij het niet aankon.’

Nu even niet
De meeste kinderen die oververmoeid zijn en onder druk staan, zijn gebaat bij cognitieve gedragstherapie. Vaak begin zo’n therapie met het bijhouden van een dagboek. In het dagboek moeten de kinderen samen met hun ouders bijhouden wat ze allemaal doen en wanneer ze moe worden of pijn krijgen. Door zo’n dagboek zien de kinderen ook eerder het verband tussen hun activiteiten en hun klachten. Ze merken ook dat als ze langere tijd minder doen, hun klachten afnemen. Maar dat moeten ze dus wel volhouden. Bij kinderen die gevoelig zijn voor prikkels en daar vermoeid door raken, helpt het meestal maar tijdelijk als ze bijvoorbeeld gedurende de vakantie goed uitrusten. Als ze na de vakantie weer al hun activiteiten oppakken, raken ze meestal binnen de kortste keren weer oververmoeid. Gewoon omdat hun gestel zoveel indrukken niet aankan.

Gerben Sinnema, hoofd medische psychologie in het Utrechtse Wilhelmina Kinderziekenhuis, leert oververmoeide kinderen hoe ze anders met dingen om kunnen gaan. Sinnema: ‘Kinderen zijn soms bang dat ze een heel ander mens moeten worden van mij, dat ze het leefpatroon van een bejaarde krijgen. Maar ik leer ze vooral om anders over de dingen te gaan denken zodat ze zich ook anders zullen gedragen. Kinderen met een druk leven moeten met minder hobby’s toe kunnen. En de sport of activiteit die ze willen doen, hoeven ze helemaal niet tot in de perfectie beoefenen. Vooral meisjes hebben nogal eens de neiging om op school pas tevreden te zijn met een 9 of een 10. Maar ook in vriendschappen willen ze het allerbeste. Ze hebben vaak alles voor hun vrienden en familie over en lijden verschrikkelijk onder ruzie. Ze willen het iedereen naar de zin maken waardoor ze hun eigen behoeftes helemaal wegcijferen. Soms leven ze zich zo in, dat ze erg lijden onder de problemen van anderen en daardoor zelfs slaapproblemen krijgen. Ik leer ze dan dat ze, net als in de reclame, ook wel eens ‘nu even niet’ mogen zeggen. Dat het gezond is om van je af te bijten en dat ze niet alle problemen van de wereld op hun schouders kunnen nemen. Voor veel van deze meisjes is het heel eng om dit lieve en sociale gedrag te veranderen. Hun gevoel van eigenwaarde is voornamelijk gebaseerd op het voor anderen klaarstaan en ze zijn vaak bang dat andere mensen hen laten vallen als ze meer aan zichzelf denken.’ Sinnema vertelt dat hij juist hele kleine stapjes met zijn patiënten neemt. ‘Ze krijgen bijvoorbeeld het huiswerk om die week een keer ‘Nee’ te zeggen op een verzoek. Meestal proberen ze dat als eerste bij familieleden en ontdekken dan dat de wereld niet instort als zij een keer zichzelf op de eerste plaats zetten.’

Duim in de mond en niksen
In de reguliere gezondheidszorg wordt pas de laatste jaren onderzoek gedaan naar het verband tussen vermoeide kinderen en een druk leven. In de antroposofie, de leer- en geneeswijze van Rudolf Steiner, is al langer aandacht voor dit probleem. Antroposofisch kinderarts Edmond Schoorel denkt dat kinderen al langer overprikkeld raken, maar dat er nu pas een klimaat is ontstaan waarin we het daar over kunnen hebben. ‘In de antroposofie kijken we altijd uitgebreid naar hoe een kind in elkaar zit. Door middel van gesprekken, massage, muziek en oefeningen vormen we een multidisciplinair beeld van een kind. Ik herken inderdaad het beeld van het lieve, sociale, open en geïnteresseerde kind met een onvermogen om te selecteren waar het zich mee bezig wil houden. Alles komt heel direct binnen bij deze kinderen. Ze willen alles weten en meemaken en trekken zich niet op tijd terug. Een gezonde kleuter gaat, als de dingen hem te veel worden, bijvoorbeeld met de duim in zijn mond in een hoekje zitten. Hij trekt zich dan terug in zijn eigen wereldje en verwerkt zo wat hij heeft meegemaakt. Maar in deze maatschappij waarin er altijd iets gebeurt en er weinig momenten van rust zijn, lukt het sommige kinderen niet om zich af te sluiten. Vaak hebben ze ook problemen met slapen omdat ze bijvoorbeeld niet kunnen stoppen met denken. Deze kinderen worden dus letterlijk ziek van alle informatie die ze binnenkrijgen. In zo’n geval raad ik de ouders aan om het leven van het kind beter te ordenen en het te helpen met het maken van beslissingen. Ook vind ik dat ouders samen met hun kinderen moeten beslissen waarnaar ze kijken op tv. Zelfs in zogenaamd leuke kinderprogramma’s zit veel informatie die allemaal weer verwerkt moet worden en deze kinderen zuigen alle informatie zo in zich op, dat televisiekijken voornamelijk vermoeiend is. Natuurlijk is het een enorme klus om je zo intensief met het leven van je kind bezig te houden. Toch is mijn ervaring dat dat wel mogelijk is en dat het ook echt werkt. Ouders van kinderen die ziek worden, hebben ook weinig keus denk ik. Die zijn meestal blij als ze merken dat deze actieve gezinscultuur kinderen enorm goed doet.’

Tips voor ouders
Planning: de antroposofische kinderarts Edmond Schoorel raadt ouders van oververmoeide kinderen aan een weekplanning te maken. In het plan staat bijvoorbeeld wie wanneer ergens gaat spelen, en daar moet iedereen zich ook aan houden. Voor de rust van deze kinderen is het belangrijk om keuzes te leren maken en niet alles zomaar op zich af te laten komen. Een zelfde soort plan kan, eventueel per dag, ook voor de televisie gemaakt worden.

Nee-zeggen: leer het kind dat het niet op alle verzoeken ja hoeft te zeggen en dat het nog even lief en aardig wordt gevonden als het af en toe voor zichzelf kiest. Vooral voor meisjes kan het vaak geen kwaad dat extra te benadrukken omdat veel van hen graag lief gevonden willen worden.

Grenzen stellen: veel ouders voeden op in een overlegcultuur. Vooral voor jonge kinderen is het vermoeiend om de hele dag mee of zelf te beslissen over wat er gaat gebeuren, ze zijn dan namelijk ook verantwoordelijk voor de genomen beslissing. Voor sommige kinderen werken door de ouders vastgelegde regels daarom heel rustgevend.

www.jmouders.nl/



maandag 20 januari 2014

Nul empathie

een theorie van menselijke wreedheid

Waarom zijn sommige mensen kwaadaardig, gewelddadig en wreed tegen anderen?

Simon Baron-Cohen, een van de meest vooraanstaande wetenschappers op het gebied van autisme en psychopathologie, toont aan dat dit komt door een gebrek aan empathie. Dit gebrek heeft een neurologische basis: in het brein van sommige mensen vinden chemische reacties plaats die het fysiek onmogelijk maken zich in anderen te verplaatsen en anderen als volwaardige mensen te zien, met eigen gedachten en gevoelens.

Bij verschillende stoornissen speelt dit gebrek aan empathie een rol, zoals bij borderline-persoonlijkheidsstoornis, narcisme en psychopathie.



vrijdag 13 september 2013

Autisme in het gezin

verrijking of probleem?

Over autistische stoornissen is al veel geschreven en gezegd. Meestal ligt de nadruk op de problemen van het kind en de omgeving. Dit Ankertje benadert autisme nu eens van de positieve kant. De auteurs zijn moeder en dochter. Zonder de moeilijke kanten van autisme te willen ontkennen, laten zij aan de hand van hun eigen gezin zien dat door op een andere manier naar elkaar te kijken en met elkaar om te gaan, je samen heel veel positiefs kunt bereiken. Bevat ook veel tips om de omgeving van en zorg voor kinderen met autisme zo optimaal mogelijk te laten zijn.

De Ankertjes van AnkhHermes zijn een begrip! Deze serie compacte boekjes (altijd 128 pagina's) geeft laagdrempelige en begrijpelijke informatie over aansprekende en actuele onderwerpen. De serie wordt continu aangevuld met nieuwe delen.



Andere titels uit de serie:

dinsdag 27 augustus 2013

Meer verbanden tussen ADHD en autisme ontdekt

Kinderen met ADHD hebben twintig keer zo vaak een aantal autistische trekken als kinderen zonder ADHD. Dat blijkt uit een onderzoek van Harvard Medical School.

Aan de studie namen 242 kinderen van 6 tot 18 jaar met ADHD deel en een controlegroep van 227 leeftijdsgenoten zonder ADHD. Bij deze deelnemers was geen autisme vastgesteld. De kinderen en hun ouders vulden een aantal vragenlijsten in over hun gedrag. Dit werd vergeleken met de eigenschappen die volgens de algemeen geaccepteerde definitie bij autisme passen.

​Autistisch gedrag
Zo ontdekten de onderzoekers dat 18 procent van de kinderen met ADHD gedrag vertoonde dat gebruikelijk is bij autisten. Bijvoorbeeld een trage taalontwikkeling, moeite met de omgang met anderen en problemen met plannen en organiseren. In de controlegroep had maar 0,87 procent autistische kenmerken.

​Genetisch verband
Volgens de onderzoekers wijst dit onderzoek in combinatie met eerdere studies erop dat ADHD en autisme een bepaald genetisch verband hebben. "De genetische markers voor ADHD worden ook in verband gebracht met autisme. De autistische kenmerken kunnen ook voorkomen bij andere problemen. Ik ben ervan overtuigd dat ze ook kunnen voorkomen bij kinderen met gedragsproblemen en angststoornissen", zegt Joseph Biederman, hoogleraar in de psychiatrie aan Harvard Medical School.

De resultaten van dit onderzoek verschenen in het tijdschrift Pediatrics.

Door: Jolanda Niemantsverdriet
Bronnen:  Medical Xpress  gezondheidsnet.nl





dinsdag 7 mei 2013

Angststoornis komt vaker voor bij kind met ASS

Kinderen met een autismespectrumstoornis (ASS) hebben vaker een angststoornis dan kinderen zonder ASS. Van de kinderen met ASS is 40 procent klinisch angstig. Dat blijkt uit het proefschrift van Bonny van Steensel, waarop zij 16 mei promoveert aan de Universiteit van Amsterdam.

Andersom geldt ook dat symptomen van ASS vaker voorkomen bij kinderen met een angststoornis dan bij kinderen zonder angststoornis. Mogelijk vormt de aanwezigheid van ASS, of symptomen daarvan, een risico voor het ontwikkelen van angststoornissen.

Angststoornissen zijn met cognitieve gedragstherapie goed te behandelen bij zowel kinderen met als zonder ASS, zo blijkt uit het promotieonderzoek. Cognitieve gedragstherapie heeft een soortgelijk effect bij kinderen met ASS als bij kinderen zonder ASS. Ook heeft de therapie positieve effecten voor de kwaliteit van leven, symptomen van ASS en gedragsproblemen.

Volgens Van Steensel onderstrepen de onderzoeksresultaten het belang van het herkennen, diagnosticeren en behandelen van angststoornissen bij kinderen met ASS.

Bron en meer informatie:
Bericht Universiteit van Amsterdam




donderdag 15 november 2012

GENETISCH VERBAND AUTISME EN SCHIZOFRENIE

GRONINGEN - Een onderzoeksteam van het Columbia University Medical Center in de Verenigde Staten heeft onlangs een studie gepubliceerd waaruit blijkt dat er een genetisch verband is tussen autisme en schizofrenie, zo meldt Nu.nl.

De wetenschappers waren bezig met het bestuderen van honderden verschillende genmutaties die in verband worden gebracht met schizofrenie, toen ze de genetische link tussen autisme en schizofrenie vonden.

"Als we niet hadden geweten dat het twee verschillende ziekten zijn, dan zou de computeranalyse met heel gelijke gennetwerken komen", aldus onderzoeker Dennis Vitkup. Volgens Vitkup laat het zien hoe nauw schizofrenie en autisme genetisch met elkaar zijn verbonden.

De studie geeft inzicht in de moleculaire oorzaken van schizofrenie, maar een praktische toepassing van de ontdekking zal nog een hele tijd duren.

Nationale Zorggids / Florian Kersten





zaterdag 20 oktober 2012

Persoonlijkheidsstoornissen komen ook bij jongeren vaak voor

Persoonlijkheidsstoornissen blijken bij jongeren net zo vaak voor te komen als bij volwassenen. Dat blijkt uit het promotieonderzoek van Dineke Feenstra. De ervaren ziektelast en hoge kosten zijn belangrijke argumenten om effectieve behandelprogramma’s voor deze jongeren te ontwikkelen.

In de geestelijke gezondheidszorg (GGz) voor volwassenen, en zeker in klinische settingen, zijn persoonlijkheidsstoornissen een van de meest voorkomende ziektebeelden. Mensen met een persoonlijkheidsstoornis ervaren vaak veel last en kennen een lage kwaliteit van leven. Inmiddels weten we dat psychotherapie kan leiden tot vermindering van klachten en een verbetering in de kwaliteit van leven bij volwassen mensen met een persoonlijkheidsstoornis.

Diagnose bij jongeren nauwelijks gesteld
Door hulpverleners in de kinder- en jeugd GGz worden persoonlijkheidsstoornissen nauwelijks vastgesteld. Het algemeen heersende idee is dat persoonlijkheidsstoornissen pas na het 18e levensjaar gediagnosticeerd mogen worden. In het veel gebruikte handboek voor psychologen en psychiaters (de DSM-IV) staat echter dat persoonlijkheidsstoornissen ook bij kinderen en jongeren mogen worden vastgesteld.

De resultaten van dit onderzoek laten zien dat dit helemaal te rechtvaardigen is. Persoonlijkheidsstoornissen blijken net zo vaak voor te komen bij jongeren als bij volwassenen. Veel jongeren met een persoonlijkheidsstoornis hebben daarnaast ook andere diagnoses, zoals angst- of stemmingsstoornissen.

Hoge ziektelast en kosten
Jongeren met de diagnose van een persoonlijkheidsstoornis ervaren, net als volwassenen met een persoonlijkheidsstoornis, een hoge ziektelast. Zij ervaren een lage kwaliteit van leven. Een persoonlijkheidsstoornis bij jongeren brengt tevens hoge medische kosten met zich mee. Jongeren met deze diagnose worden vaker opgenomen waardoor de medische kosten al snel oplopen. Veel van deze jongeren lukt het niet om naar school te gaan of om een baantje vol te houden. Dit brengt ook maatschappelijke kosten met zich mee. De omvang hiervan is echter nog onbekend.

Noodzaak effectieve behandeling
Momenteel zijn er nog maar weinig gegevens bekend over effectieve behandelprogramma’s specifiek gericht op deze doelgroep. De ervaren ziektelast en de hoge kosten zijn echter belangrijke argumenten om effectieve behandelprogramma’s voor deze jongeren te ontwikkelen. In dit onderzoek werd een klinische behandelsetting onderzocht. Door klinische psychotherapie lijken deze jongeren beter in hun vel te gaan zitten en ze weten dit resultaat ook na de behandeling vast te houden. De onderzochte klinische setting lijkt vooral tot goede resultaten te leiden voor jongeren met persoonlijkheidsstoornissen uit het ‘angstige’ cluster (cluster C). Verder onderzoek naar en ontwikkeling van effectieve behandelprogramma’s voor jongeren met persoonlijkheidsstoornissen is van groot belang.

Promotie
Dineke Feenstra promoveerde op 17 oktober 2012 aan de Erasmus Universiteit Rotterdam op het proefschrift “Personality disorders in adolescents: prevalence, burden, assessment, and treatment”.

Dineke is psycholoog en werkzaam bij de onderzoeksafdeling VISPD en de Unit Jeugd van de Viersprong, landelijk centrum voor persoonlijkheidsproblematiek.





woensdag 2 mei 2012

Buitenbeentjes

psychische stoornissen bij kinderen en adolescenten

We hebben allemaal wel een idee van wat hoort bij een ënormale´ ontwikkeling van kinderen. Een 6-jarige die niet alleen naar school durft te fietsen vinden we gewoon, van een lichamelijk gezonde 12-jarige die dat niet durft vinden we dat vreemd. Verschijnselen zoals ëbang zijn voor vreemden´, die normaal zijn in een bepaalde levensfase, zijn dat in een volgende fase niet meer. Afwijkingen in een bepaalde levensfase die de ontwikkeling van een kind belemmeren, wijzen vaak op een psychiatrische stoornis.

Kinder- en jeugdpsychiatrie is een betrekkelijk jong vak en er bestaan nog veel misverstanden over. Wat is nu normaal en wat is abnormaal in de verschillende leeftijdsfasen van het kind? Wanneer moeten kinderen doorverwezen worden naar deskundige hulp? Daarnaast heeft het woord ëpsychiatrie´ een onnodig zware lading, in de trant van: 'je moet wel gek zijn om daar terecht te komen´. Ouders lopen vaak te lang rond met zorgen over de ontwikkeling van hun kind.

Dit boek schetst het werkterrein van de kinder- en jeugdpsychiatrie, geeft een overzicht van de normale ontwikkeling van het kind, en bespreekt vervolgens zeven veel voorkomende kinder- en jeugdpsychiatrische stoornissen: autisme spectrum stoornissen (ASS), aandachtstekortstoornis met hyperactiviteit (ADHD), angststoornissen, stemmingsstoornissen, eetstoornissen, oppositioneel opstandige en antisociale gedragsstoornissen, psychotische stoornissen. Suggesties om verder te lezen, nuttige adressen en een register maken het boek compleet.

Ouders van kinderen die al jong problemen krijgen in de ontwikkeling, zoeken niet altijd hulp. In dit boek wordt het werkveld van de kinder- en jeugdpsychiatrie beschreven. Dit is een vrij jonge discipline waarbij ontwikkelingsstoornissen al vroegtijdig aangepakt worden. Allereerst wordt beschreven hoe een normale ontwikkeling van een kind verloopt. Daarna worden in aparte hoofdstukken veelvoorkomende stoornissen zoals autisme, ADHD, stemmingsstoornissen en angststoornissen beschreven.

Per stoornis wordt beschreven wat deze is, hoe ze kan ontstaan, welke behandelingen er voor zijn en hoe het verloop en de toekomstverwachting zijn. Het boek wordt uitgegeven ter ondersteuning van de Teleacserie 'Buitenbeentjes' die vanaf februari 2005 werd uitgezonden. In deze serie werden portretten getoond van kinderen met de stoornissen, hun ouders en de rol van hulpverlening.

Het boek is los van de serie te gebruiken.

Een boek dat inzicht geeft in het ontstaan van ontwikkelingsstoornissen en tevens een globale beschrijving biedt van veelvoorkomende stoornissen bij kinderen en jongeren.



Zoeken in Bol.com